Inkijk/Uitruil: Een wijkwebsite en de discussie over kunst in de openbare ruimte Gerard Drosterij, 11-11-2004
i. Inleiding
In dit artikel wordt een elektronisch buurtprikbord geduid in relatie tot opvattingen over openbare ruimte. Hoe verhoudt een simpele wijkwebsite zich tot theorieën over democratie en openbaarheid, over gemeenschapsvorming en burgers? Moet een dergelijk digitaal initiatief als potentiële bron van engagement, als illustratrie van de democratische cultuur, worden gezien, of eerder als een particulier initiatief dat vooral tot doel heeft een locale gemeenschap te vormen waaruit geen algemene politieke conclusies getrokken kunnen worden?
Zowel in de sociaal-politieke als de kunstfilosofie domineert een theorie van de openbare ruimte die de eerste optie voorstaat. Ze stelt dat handelen in de openbare ruimte bovenal politiek handelen is, want het is idealiter een afspiegeling van democratische waarden. Maar deze waarden zijn abstract en zitten in het proces opgesloten. Handelen in de openbare ruimte heeft zodoende geen vooropgezet doel. Het gaat om de pragmatiek en techniek van de openbare ruimte te beheersen en tegelijkertijd de publieke idealen van de democratie in ere te houden. Kunst in de openbare ruimte is de kunst van de openbare ruimte.
Aan de hand van het project Inkijk/Uitruil, een Rotterdamse wijkwebsite, zal een alternatieve theorie van de openbare ruimte worden geïntroduceerd. Zij verzet ze zich tegen bovenstaande interpretatie van openbaar handelen als procesmatige illustratie van de democratische cultuur. Men is vergeten dat openbaar handelen ook een maatschappelijke basis, niet-politieke, basis heeft. Openbaar handelen interpreteren als politiek handelen leidt tot politisering. In maatschappelijke openbare ruimten wordt openbaarheid gecreërd die terugslaat op de specifieke locatie zelf en niet op de abstracte democratische waarden die het zou moeten weerspiegelen. Openbaarheid bestaat in deze ruimten bij de gratie van beperkte gemeenschappelijke betekenissen. Dit betekent ook dat particularisering van de openbare ruimte niet per se een onheilspellende ontwikkeling is, maar dat het kan leiden tot een meer inhoudelijke en complexe opvatting van kunst in de openbare ruimte.
ii. De toestand van de wereld en de buurt waarin wij wonen
De zoektocht naar maatschappelijke cohesie staat bovenaan de sociale agenda. De Westerse wereld heeft in ons tijdsgewricht de gedaante aangenomen van een bijenkorf die zodanig door elkaar is geschud, dat de dagelijkse opinie gedomineerd wordt door koortsachtige oproepen tot herstelwerkzaamheden. De maatschappij verkeert in een overgangsstadium naar nieuwe verhoudingen, zo luidt de mantra al tijden, en de kwaliteit van de publieke sfeer is tanende. Bestaat er nog zoiets als solidariteit en burgerzin?
De rusteloze dynamiek van onze samenleving is zowel een cultureel als een structureel fenomeen. Aan de ene kant is het wederzijdse vertrouwen geslonken, of liever, is men nog maar matig in staat met levensbeschouwelijke pluraliteit om te gaan. Verschillen van mening over inrichting van de sociale werkelijkheid worden gepolariseerd, geïdeologiseerd en met grote moeite getolereerd. Dat komt het proces van herstelwerkzaamheden niet ten goede en geeft de overheid bovendien de mogelijkheid zich op te dringen als ethisch baken.
Anderzijds bestaat er onzekerheid over de toekomstige structuur van de samenleving. Zij uit zich in vragen als ‘hoe willen we samenleven?’, ‘hoe geven we dat vorm?’, en ‘op welke wijze moeten macht en politiek verbonden zijn met de gemeenschap van burgers?’. Ook hier heeft de overheid het momentum: met een beroep op de noodzaak van collectieve hervormingen wordt sociaal overleg en samenwerking aan stricte voorwaarden gebonden. Zij heeft het initiatief van renovatie naar zich toe getrokken en stelt onbarmhartige voorwaarden: zij is bereid haar organisatie ingrijpend te wijzigen als de samenleving ook haar verantwoordelijkheid neemt. Coöperatieve rivaliteit heeft de plaats ingenomen van coöperatieve saamhorigheid.
Nu is cultuurkritiek van alle tijden, op zichzelf een ongevaarlijk en louterend fenomeen, ware het niet dat het huidige normen- en waardendebat onder een wel heel ongelukkig gesternte plaatsheeft. Door dreiging van terrorisme, economische recessie en religieus fundamentalisme wordt cultureel engagement lastiger en politieker, omdat het in direct verband gebracht wordt met publieke staatsordening en –veiligheid – variaties op het inmiddels tijdperkbepalende thema: “Either you are with us, or you are with the terrorists. De publieke sfeer van debat en discussie ideologiseert en politiseert met als gevolg dat kleine, locale en beperkte burgerinitiatieven ook dreigen te worden gepolitiseerd. En dat is onwenselijk te noemen.
Deze burgerlijke initiatieven zijn vaak locaal en buurtgericht, en worden dikwijls ondersteund door informatie- en communicatietechnologie. In de jaren negentig werden zij ‘virtuele gemeenschappen’ genoemd en aangeprezen als nieuwe broedplaatsen van democratische gezindheid. De taak van de overheid zou zijn om pro-actief, dienstverlenend op te treden, en tegelijkertijd door dergelijke locale initiatieven te volgen – te monitoren – de complexe maatschappelijke ontwikkelingen beter te begrijpen. Ontwikkelingen als “decentralisatie”, “complexiteit van de samenleving” en “gedeelde verantwoordelijkheden tussen bestuurslagen en tussen overheid en samenleving” werden gegeven als redenen van monitoring.
iii. Internet en futuristisch moralisme
In dit artikel wordt zo’n locaal project bekeken: Inkijk/Uitruil, een website voor de bewoners van Ommoord, een na-oorlogse volksbuurt in Rotterdam. De vraag is hoe zo een bescheiden buurtproject zich verhoudt tot ambigue slogans van gemeenschapsvorming en culturele hervinding enerzijds, en informatisering, dynamisering en globalisering anderzijds? Hoe moet het worden begrepen binnen de context van onze rumoerige samenleving? Moet het de betekenis krijgen van een broedplaats van gemeenschapszin of hernieuwd politiek bewustzijn, of volstaat het als een alternatieve vorm van informeel buurtverkeer te beschrijven? Kortom: welke karakterisering dient de openbare ruimte van Inkijk/Uitruil te krijgen?
In dit artikel wordt de voorkeur gegeven aan kleinschaligheid. Het simplistische motto is: als we in tijden van sociale renovatie en morele herijking niet in staat zijn naschoolse opvang te organiseren, uitkeringingen te regisseren, of anderszins kunnen anticiperen op de sociaal-economische orde, dan zullen we ook een toontje lager dienen te zingen over het falen van de wereld als democratie en vredesgemeente. Het was een wijze uitspraak van Bernhard Mandeville dat mensen die voortdurend gebreken bij anderen vinden eerst naar zich zelf zouden moeten kijken voordat zij pleidooien houden voor solidariteit en burgerfatsoen. Zo’n reflectief moment zou hen verrassen op het decretum horribile dat zij zich zélf schuldig maken aan de zaken die zij altijd zo hoogstaand bij anderen pleegden te verafschuwen.
Inkijk/Uitruil is een project dat onder kunst in de openbare ruimte geschaard kan worden. En kunstenaars zijn zeker niet vies van moralisme. Neem Arno van der Mark – iemand die meent dat we ons naar een nieuw universum bewegen. Hij stelt:
“De wereld vóór de informatiewereld was gebaseerd op afspraken: religie, ideologie. Dat was het midden van waaruit alles gebeurde. Dat is weg. En daarmee zijn er geen grenzen meer. Er zal wel weer een moment komen waarop het een en het ander bij elkaar komt, maar hoe dat nieuwe universum eruit zal zien is niet te voorspellen. Ik neem aan dat het ontdaan zal zijn van symboliek en historische connotatie.”
Nee, integendeel: beschavingen zijn altijd doortrokken geweest van religie, symboliek en ideologie, en hebben zich altijd – positief (Renaissance) of negatief (Verlichting) – door de wereldgeschiedenis laten inspireren. Dus waarom deze archetypische elementen nu van het wereldtoneel zouden verdwijnen is raadselachtig. We herinneren ons liever de wijze woorden van de architect Adriaan Geuze: “Ik vind het een hysterische benadering om te stellen dat de kunst nu helemaal zou veranderen en dat Internet de nieuwe openbare ruimte zou zijn. Dan kunnen we de straat afschaffen.”
Zo een filosofische hysterie is ook te vinden in de beschrijving van de hedendaagse stad met een soort science-fiction behaviorisme – als zou ons urbane gedrag te midden van een ICT omringde netwerkomgeving optimaal te illustreren zijn met futuristische metaforen. Manuel Castells’ opinie over de stad is bij velen bekend: The city as a space of flows: “By flows I understand purposeful, repetitive, programmable sequences of exchange and interaction between physically disjointed positions held by social actors in the economic, political, and symbolic structures of society.” Er is weinig aansluiting met een project als Inkijk/Uitruil wanneer zij wordt voorgesteld als netwerk van knopen waartussen informatiestromen lopen. Richard Sennett zegt: “The very fuzziness of the word node indicates the loss of language for naming environmental value […].” Hij pleit voor een hernieuwd begrip van openbaarheid: “Our urban problem is how to revive the reality of the outside as a dimension of human experience”. Dus moet een invulling van openbaarheid plasticiteit bezitten en terugslaan op intrinsieke momenten van de menselijke ervaring. Dat vergt een praktische verbeelding van de openbare ruimte, en niet slechts een stilistische – waarbij de werkelijkheid als esthetische vorm wordt geboetseerd, of statistische, waarbij de werkelijkheid als empirische waarschijnlijkheid geschat wordt.
Wanneer hieronder Inkijk/Uitruil wordt behandeld dan wordt ernaar gestreefd dit zonder computeridioom te doen – dus geen informational city, cybercity, technocity, edge city, city of quartz, city of bits, generic city. De geograaf Stephen Graham heeft er op gewezen dat het gebruik van dergelijk vocabulair vaak ten koste gaat van de aandacht voor de prozaïsche en dagelijkse gevolgen van ICT-ontwikkelingen op concrete stadskwesties. In plaats van powerpoint-analyses over globalisering en elektronische ruimten moet er aandacht worden besteed aan de feitelijke gevolgen van ICT op de microcosmos van de stad, en over de structurele inbedding die zij behoeft. Zoals Henk Oosterling stelt: “De virtuele ruime is een schijnwereld die aan de effecten in de werkelijke wereld zijn waarde ontleent”.
iv. Inkijk/Uitruil: een introductie
Inkijk/Uitruil.nl is een digitaal prikbord dat in de Rotterdamse wijk Ommoord begin 2004 gelanceerd is. Het project concentreert zich rond een elektronisch platform dat buurtbewoners de gelegenheid geeft op verschillende manieren wederzijds contact te leggen. Het geeft de mogelijkheid tot een inkijkje in ieders leven en een uitruil van allerhande zaken. Zo kunnen goederen en diensten worden aangeboden en gevraagd (onder de naam GarageSale) en kunnen bewoners zich introduceren met een homepage (genaamd MijnPagina). Of zoals het op de website zelf staat: “Het programma biedt de mogelijkheid om met elkaar in contact te treden via het internet door het aanbieden van tweede-hands spullen, het tonen van foto's van dierbaren, het vertellen van verhalen van vroeger, het opassen op elkaars kinderen, het geven van kookdemonstraties, etc, etc.” Inkijk/Uitruil is een buurtvoorziening, zoals het fietsenrek dat ook is, maar alleen vele malen diverser en onvoorspelbaarder in gebruik.
Maar dat Inkijk/Uitruil.nl niet louter een buurtgerichte Marktplaats.nl is, noch alleen een verzameling home pages, toont het derde programmatische aspect: het BuurtSpionnetje. Deze functie is in het leven geroepen om bewoners via camera’s in de gelegenheid te stellen videoverbinding te maken met bepaalde plekken in Ommoord. Een rechtstreekse verbinding tussen de virtuele en de fysieke ruimte. Welke plekken dat zijn, is van de bewoners zelf afhankelijk daar zij zelf de camera plaatsen. Dus een camera kan in de keuken worden gehangen om te tonen welke maaltijd rond zessen op tafel zal staan, maar ook op een kruispunt worden gericht dat bekend staat als toneel van roekeloos verkeersgedrag. Aan de ontvangstkant geeft het Buurtspionnetje Ommoorders de mogelijkheid om vanuit hun luie bureaustoel te zien wat er elders plaats heeft in de buurt. Precies zoals het traditionele spionnetje de bewoner vanachter de begonia’s de kans bood te zien wie er aanbelde.
Zonder twijfel roept het Buurtspionnetje de meeste vragen op. Het verschilt radicaal van de twee andere, relatief onschuldige dagboek- en advertentie-achtige functies van de website. Het Buurtspionnetje heeft namelijk een observerend en registerend vermogen; een typisch geval van een instrument dat door zijn elektronische transformatie in werkzaamheid exponentieel toegenomen is. Het digitale buurtspionnetje heeft wat betreft kijk-, manoevreer- en ontvangstfunctie vele mogelijkheden meer dan zijn voorganger. De camera registreert verfijnder, bestrijkt een veel grote oppervlak en haar beeldweergave is overal en door velen te bekijken.
Maar let wel, het achteruitkijkspiegeltje, dat op menigeens gevels prijkte, is natuurlijk al lang geleden vervangen door de grote op telescopen of laserkanons gelijkende veiligheidscamera’s. Terwijl spionnetjes te vinden waren bij stedelijke particulieren met een gezond wantrouwen, hebben deze camera’s vooral hun bestemming gekregen als onderdeel van een totaal commercieel beveiligingsplan. Het Buurtspionnetje echter is de circuitcamera voor de gewone man: het stelt een mens in staat aan zijn persoonlijke beveiliging te beginnen. Een potentiële concurrent van de politiecamera aldus. Of, om het duur te zeggen: een voorhoede van de democratisering van eens exclusieve staatsadministratieve en –sanctionerende apparaten. En inderdaad; inmiddels is de webcam tot een zelfde vanzelfsprekende computeraccessoire geworden als de muis.
Nu is het evenwel gebrekkig, want voorbarig, de normerende en controlerende potentie van het Buurtspionnetje te benadrukken. Zoals reeds genoteerd: inwoners van Ommoord kunnen door dit medium ook getuige zijn van een kookles, buurtfestival, of een romantisch uitzicht op de Zevenhuizerplas. Per slot van rekening slaat de titel van het programma op dit soort activiteiten. Bewoners krijgen een inkijkje in de buurt, en leren hem zo beter kennen.
Niettemin, aan de andere kant blijft de controlerende potentie van het Buurtspionnetje bestaan. In plaats van een vrijwillige inkijk in de habitats van mensen zou er een onvrijwillige uitkijk op menselijke habitats kunnen plaatsvinden. In plaats de camera te richten op het persoonlijke leven zou de camera geplaatst kunnen worden op het publieke leven, waarna mensen wellicht geroepen voelen de openbare ruimte met eigen inzicht en hand te waarborgen en ordenen.
Hoe de openbare ruimte van Inkijk/Uitruil gebruikt gaat worden staat dus vooralsnog open. En het is de vraag met welke theorie van de openbare ruimte het project Inkijk/Uitruil ten beste beschrijven zou kunnen worden. Het is er namelijk veel mensen aan gelegen dergelijke initiatieven als broedplaatsen van burgerschap te betitelen.
v. De kunst van de openbare ruimte: processuele openbaarheid
Er wordt veel geschreven over de openbare ruimte, niet alleen in de sociaal-politieke filosofie, maar ook in andere kennisgebieden zoals de sociologie, de cultuurfilosofie en de kunstheorie. Nadenken over de openbare ruimte is populair, omdat het als centrumactiviteit van onze democratie wordt gezien. Via de verbeelding van de openbare ruimte wordt gehoopt en gepoogd antwoord te vinden op vitale vraag wat burgers bindt. Het is de ruimte waarin het collectieve wordt gekarakteriseerd, datgene dat van en voor een ieder is. De openbare ruimte is de plaats van communicatie en interactie met als oogmerk het belang van de democratische samenleving. Zo stelt René Boomkens: “Openbaarheid is […] een door en door ethisch concept, dat het menselijk (of politiek) handelen en spreken in alle mogelijke ruimtes, reëel of virtueel, aan een waardeoordeel in termen van vrijheid en democratie onderwerpt.”
Als we het dominante paradigma van hedendaagse kunsttheoretici volgen dan is Inkijk/Uitruil op het eerste gezicht een voorbeeld van een transformatie van kunst in de openbare ruimte naar kunst van de openbare ruimte. Volgens Henk Oosterling heeft deze ontwikkeling kunst in de openbare ruimte veranderd in “een interactief proces waarvan van al die elementen die aan een democratische cultuur worden toegedicht, werk wordt gemaakt: kunst zet openbaarheid in werking”. De oorzaak van deze transformatie bestaat daarin dat, in de woorden van Jan van Grunsven, “de openbare ruimte als representatie van ‘het gemeenschappelijke’ definitief [heeft] opgehouden te bestaan. Kunst in de openbare ruimte kan nu in feite alles zijn”.
Kunst voorstellen als autonoom representatiemedium, dat is ouderwets geworden en louter ‘museaal’ gedacht. Het gevolg zou een frigide situatie opleveren: een kunstwerk dat recht tegenover haar kunsthistorische omgeving en krijgt zo een becommentariërende functie krijgt zonder een werkelijke verhouding met die context aan te gaan. Het onderhoudt een statische relatie met zijn omgeving. Deze kunstopvatting zou in de openbare ruimte een mal figuur slaan, zo is de opvatting. Van Grunsven: “Er is geen gemeenschappelijke noemer op grond waarvan je kunt zeggen waar kunst voor staat of zou moeten staan.” Een kunstwerk kan niet onproblematisch commentaar op haar omgeving leveren. Die omgeving moet namelijk eerst gedefinieerd worden, zij is niet eenduidig.
De oplossing ligt erin de context of het proces zelf als kunst te zien. De kunst moet een verhouding aangaan met de openbare ruimte; ze moet zélf openbaarheid worden, en de illusie zijnde autonome commentator opgeven. Dan wordt “kunstcontext publieke context”, aldus Camiel van Winkel. Artistieke openbaarheid is noodzakelijk trajectmatig, tijdelijk en transitorisch. Het is niet langer mogelijk de kunstenaar te vangen in een galerie of museum; heden zijn warenhuizen, vliegvelden, binnentuinen, kookkeukens en brandweerkazernes de potentiële artistieke ervaringsruimten geworden. Collectiviteit heeft niet meer een van te voren gegeven betekenis of inhoud, zoals het traditionele standbeeld op een sokkel dat een nationale geschiedenis representeert – Willem van Oranje, Jeanne d’Arc, Lord Nelson –, maar moet ontstaan in de openbare ruimte. De openbare ruimte kan niet meer verondersteld worden als van te voren gegeven openbaarheid, maar moet als zodanig gevestigd en daarmee bevestigd worden. Openbaarheid is dan niet meer vanzelfsprekend, en daarom processueel en pragmatisch geworden. Openbare ruimte is potentiële openbaarheid waarin alleen mogelijke waarheidsmomenten opgesloten liggen. Oosterling noemt haar “inter-esse”: het participeren in en reflecteren op de verbeelding van informatie- en communicatieprocessen; Boomkens een ‘drempelwereld’, alwaar openbaarheid in het ervaringsmoment bivakkeert binnen de dynamiek van private werkelijkheden enerzijds en de wereld van mobiliteit anderzijds: “een ervaring waarin het private voortdurend op het spel wordt gezet in een andere ruimte”.
Deze hedendaagse kunstfilosofische interpretatie van de openbare ruimte als proces loopt parallel met ontwikkelingen in andere gebieden. Ook daar is het dominante paradigma ‘processuele openbaarheid’: het organiseren van de openbare ruimte bestaat uit het vestigen van de condities van een proces dat dient te leiden tot openbaarheid. Openbaarheid bestaat niet, maar dient te ontstaan tijdens processen van sociale interactie; ze kan onmogelijk in inhoudelijke termen van te voren worden geformuleerd. De kunstenaar produceert een medium waarmee actoren de tussenruimte kunnen bezoeken en ervaren. Ervaring van openbaarheid is idealiter het resultaat. Haar voorwaarden liggen niet van te voren vast in die tussenruimte, maar in de techniek of architectuur van de openbare ruimte: die moet dynamisch, multi-perspectivisch en pluralistisch zijn, zodat zij een afspiegeling zijn van de democratische waarden die behoren tot de processuele openbaarheid. Inhoud ontstaat dan vanzelf. In deze theorie overstijgt het perpectivische belang van sociabilisering, interesse en openbaring het belang van een samenleving als plaats van de creërende individuen en hun locale openbare ruimten. Omdat de werkelijkheid democratisch wordt geïnterpreteerd, want relationeel, complex en contextueel, moet de samenleving ook als netwerk beschouwd worden. Daarom is privatisering van de openbare ruimte geen optie, want dat leidt slechts tot een particularisering en verkokering van in wezen algemene belangen.
vi. Sociaal-politieke modellen van de openbare ruimte
Het lijkt aannemelijk Inkijk/Uitruil te duiden als een project van processuele openbaarheid. Het programma is entamerend, niet sturend, en de verwachting van openbaarheid ligt in het gebruik van het programma (proces) zelf, in de elektronische openbare ruimte van en tussen wijkbewoners. De openbare ruimte ligt niet inhoudelijk vast. Op een pragmatische manier zal collectiviteit en sociabiliteit moeten ontstaan.
Maar deze stelling is voorbarig. Ten eerste moeten we ons afvragen of democratische waarden als collectiviteit, sociabiliteit, en openbaarheid de centrale doelstelingen moeten zijn in een theorie van de openbare ruimte: wat is er tegen op een particularisering van de openbare ruimte? Ten tweede moeten vraagtekens worden gezet bij een pragmatisering van de openbare ruimte als voorwaarde voor openbaarheid. Deze benadering heeft namelijk tot gevolg dat de doelstelling van de openbare ruimte – openbaarheid – noodzakelijkerwijs niet verder gelegitimeerd kan worden dan met een verwijzing naar het proces (pragmatics in action) zelf. Dus hoe moet de openbare ruimte benaderd worden, wat is haar doel en proces? Moet het proces van de openbare ruimte als politiek, dat wil zeggen, democratische waarden representerend, of als maatschappelijk, dat wil zeggen als een verzameling van particuliere projecten, die niet per se democratisch zijn, voorgesteld worden? Ten tweede is de vraag of het doel van de openbare ruimte als pragmatisch of als inhoudelijk moet worden gedefinieerd. Aan de hand van de sociaal-politieke filosofie kan deze kanttekening verder worden geadstrueerd.
In de sociaal-politieke filosofie gelijkt het zogenaamde discursieve model van de openbare ruimte op het paradigma van de processuele openbare ruimte in de kunsttheorie. Ook daar wordt de openbare ruimte als een proces opgevat met als doel sociabilisering (de capaciteit tot sociale interactie). Het voorname verschil is dat het politieke handelen beperkt is tot discursieve rationaliteit die politieke besluitvorming legitimeert. In de processuele openbare ruimte daarentegen is het handelen niet beperkt: juist ook omdat menigeen meent dat in de kunst geen specifieke expertise meer bestaat. Niettemin kunnen de conceptuele uitgangspunten met elkaar worden vergeleken.
Het discursieve model wordt doorgaans vergeleken met twee andere sociaal-politieke modellen van de openbare ruimte: het neoliberale en het republikeinse. Deze modellen zijn verschillende combinaties van antwoorden op twee vragen: wat is het doel van openbare ruimte en hoe moet haar ruimte zelf worden gedefinieerd. De antwoorden: het doel is inhoudelijk of pragmatisch, en de ruimte is maatschappelijk dan wel politiek te noemen.
Filosofen als Jon Elster, Jürgen Habermas en Seyla Benhabib beschouwen het discursieve model als een optimale synthese van de twee andere modellen. Het discursieve model combineert neoliberale pragmatiek met republikeinse gemeenschapszin, terwijl het de afzonderlijke gebreken van beide modellen laat 'vallen. Vanuit het ‘discursieve perspectief’ is het liberale model doorgeschoten in de omarming van de privatisering en liberalisering van de openbare ruimte, het republikeinse model gaat evenwel te ver in zijn kritisch essentialisme. De eerste mankeert de noodzakelijke kritisch-democratische voorwaarden voor burgerschap en de laatste een pragmatische insteek voor de openbare ruimte die ruimte laat aan verschillende inhoudelijke opvattingen (pluraliteit).
Deze zwakheden probeert het discursieve model het hoofd te bieden door de collectieve democratische voor openbaarheid te proceduraliseren. Er worden wel kritische condities gecreëerd voor democratisch burgerschap (overeenkomst met het republikanisme) maar zonder dat die inhoudelijk zijn (overeenkomst met het neoliberalisme). Deze democratische voorwaarden worden namelijk opgenomen in het proces of de dynamiek van de openbare ruimte zelf. Zij zijn onderdeel van de mogelijksvoorwaarden van de openbare ruimte. Voorbeelden van deze processuele voorwaarden zijn openheid, contextualisme, diversiteti, tolerantie, transparantie, etc., etc.
De processuele kunsttheorie van de openbare ruimte vertoont grote verwantschap met de discursieve opvatting van de politieke openbare ruimte: kunst in de openbare ruimte mag niet aan de markt worden overgelaten, zo wordt gesteld, maar ze mag evenmin in haar oude rol van autonoom commentator vervallen. Kunst moet het democratisch netwerk van burgers serieus nemen, maar wél binnen een motiverend kader van liberale doelgerichtheid en zakelijkheid. Democratisch handelen in de openbare ruimte dient gericht te zijn op een optimalisering van het resultaat – sociabilisering – zoals consument dat gewoon zijn te doen. De kunstenaar wordt voorgesteld als culturele ondernemer, als verkoper van interesses, sociabiliteit en micropolitieke tactieken, “effectief en actief gebruik [makend] van alle in aanmerking komende kanalen van communicatie en publicatie”. De processuele openbare ruimte dient ruimte te hebben voor elke deelnemer en elk perspectief. De kunst is dat de interactie de gevestigde belangen (status quo) ter discussie stelt, waarbij de participanten verschillende rollen afwisselen.
vii. Disciplinair vacuüm en pragmatische inventiviteit
Wat is nu effect van deze benadering van de openbare ruimte, met als algemene streefwaarde: democratische openbaarheid? In een verhelderend schrijven, maar met een teleurstellende conclusie, stelt Kamiel van Winkel dat kunst in de openbare ruimte politiek populair is vanwege het hoge pr-gehalte van de kunst. Kunst slaagt erin zich te nestelen in grootschalige stedenbouwkundige projecten. Maar slechts met schijnsucces volgens Van Winkel. De kunst laat zich politiek prostitueren door onkritisch tegenover haar pragmatisering te staan: “Het gebrek aan een evident stelsel van normen en waarden in de publieke sfeer wordt verdoezeld door een ‘individuele uitspraak’ die een kunstenaar binnen strakke randvoorwaarden mag doen […]”. Maar zolang de zaken lopen hoor je de kunst niet klagen. Van Winkel waarschuwt de kunstenaar dan ook voor ongebreideld opportunisme en adviseert hem eerlijk te zijn over de absentie van zijn specifieke expertises. Nog steeds denken ambtenaren en politici dat kunstenaars loodgieters zijn die je voor een specifieke klus kunt inhuren. Daarom moeten kunstenaars zich niet laten vangen in dit beleidsgeschikt jargon. Ze dienen de grenzen van hun verworven vrijheid van multidisciplinariteit en ‘non-specifieke specialiteit’ bewaken.
Maar bewijst dit advies van Van Winkel nu juist niet de kern van de kwaal? Immers, je zou denken dat er een verband bestaat tussen de pragmatisering van de kunst en die van de politiek. Politiek heeft garen gesponnen bij het esthetische autonomiseringsproces van de kunst. Wanneer de kunst haar artistieke vrijheid blijft opeisen en weigert tot algemene uitspraken omtrent haar expertise te komen, dan zal dat de politiek sterken in haar overtuiging de kunstenaar voor vele doeleinden te kunnen utiliseren. Maar volgens Van Winkel is kunstidentificatie dat verder gaat dan het individuele karakter van het specifieke werk echter onmogelijk en is elke poging tot verder objectivering en/of generalisering gedoemd tot knechting van de kunst.
Vanuit de architectuur klinkt een zelfde verhelderende en adequate diagnose als Van Winkel doet, maar met een zelfde tegenvallend recept. De opinie is dat de architect wel voldoende werk heeft, maar toch het leven leidt van een marktslaaf: “De architect is binnen lekker aan het knutselen terwijl de grote jongens buiten hutten bouwen. De autoriteit van de architect is volledig verdwenen.” Dennis Kaspori prijst de architect wel om zijn pragmatische inventiviteit, maar bekritiseert hem omdat hij deze deugd niet aanwendt aan het ontwikkelen van feitelijke invloed en interactie in het ontwerp van de openbare ruimte: “De zoektocht naar de essentie van de architectuur moet ingewisseld worden voor de vraag wat architectuur kan betekenen voor de hedendaagse netwerksamenleving. Het wordt tijd voor een gemeenschappelijk georganiseerde vernieuwing van de architectonische praktijk.” Kaspori stelt dat een zoektocht naar de essentie van de architectuurpraktijk een republikeins anachronisme van misplaatst activisme uit de jaren zeventig is. Dat kan niet meer. Niettemin blijft de opdracht staan gemeenschappelijk de praktijk te hervormen, doch deze activitistische energie te richten op de complexe processen in onze netwerksamenleving. Dus niet op de architectuur zelf. De architect moet het horizontale machtsspel – het proces van de openbare ruimte – beter gaan beheersen, zijn ivoren toren verlaten en er niet voor terug te deinzen market player te worden.
Ole Bouman, die een kunstenplan schreef voor Tilburg (KORT 2002-2010), met als centrale idee dat “kunst een onderdeel [moet] worden van de totale maatschappij, een resultaat van maatschappelijke processen”, vat de crux van de remedie goed samen: “Kunst in de openbare ruimte legitimeert openbaarheid.” Ze verwijst naar de idealen die opgesloten zitten in de idee van openbaarheid – “openbaar leven, moderniteit, beweging, openheid, democratie […]” . Om de beleidsmatige parasitering van kunst het hoofd te bieden zal kunst moeten laten zien wat die openbaarheid inhoudt door de processen van de openbare ruimte beter te beheersen. Idealiter zal de kunst dan uiteindelijk in het project of proces verdwijnen met als resultaat dat alle aandacht gericht zijn op de gegenereerde openbaarheid zelf.
viii. De kunst van complexe openbaarheid
Maar waarom moet kunst de eredienst van de democratie leiden? Waarom ligt haar bevoegdheid in de liturgische verwijzing naar politieke idealen van democratische openbaarheid die liggen opgesloten in het proces van de openbare ruimte? Is het niet een juister oordeel de kunst in openbare ruimte te beoordelen op haar specifieke inhoud, dus door naar de kunst zelf te verwijzen en niet naar haar democratisch effect op de openbare ruimte. De kunst zou haar aanwezigheid in de openbare omgeving niet democratisch hoeven te verantwoorden, maar enkel haar kwaliteit zelf binnen de vele openbare ruimten die de maatschappij rijk is. Anders wordt kunstpolitiek definitief de politiek van kunst.
Het is een vreemde paradox van processuele openbaarheid dat openbaarheid als legitimatie van kunst in de openbare ruimte enerzijds verwijst naar abstracte waarden die behoren tot de democratische cultuur, maar dat anderzijds wordt benadrukt dat de inductie van specifieke expertises en inzichten binnen de kunstprofessie ongewenst en ook niet mogelijk is. Zodat zulke specifieke individuele expertises dus niet verbonden kunnen worden met die democratische waarden. Dat is precies het vacüum waarop Van Winkel en Kaspori op wezen. Het gevolg is dat kunst in de openbare ruime alleen met de meest vage en abstracte bewoordingen gelegitimeerd kan worden (‘open’, ‘transitorisch’, ‘trajectmatig’). Want specifieker worden zou onrecht doen aan de individualiteit van het werk zelf.
Daarom mag er gerede twijfel bestaan over zo een interpretatie van kunst in de openbare ruimte. De kunstenaar voorstellen als trajectontwikkelaar, activistische processor; als netwerker in sociabiliteit of tacticus in de micro-politiek – dat zijn onbehartigenswaardige voorstellingen voor een kunstenaar. Het is een bedenkelijke missie de kunstenaar zonder geïnduceerde canon van specifieke expertise, maar wel gewapend met een democratisch-kritische blik de openbare ruimte in te sturen om haar artisieke dimensie te bewaken. Kunst zou veel meer tot haar recht komen in de openbare ruimte als zij haar reserves over identificerende en representatieve functie van de kunst overboord zou zetten en bekijkt hoe zij haar expertise in de openbare ruimte wél zou kunnen conceptualiseren en benoemen. Met de belangrijke consequentie dat ze ook moeilijker een prooi wordt voor die machtige beheersstrategen, zoals overheid en projectontwikkelaars. Kunst als representatie hoeft geen saai figuur op een sokkel op te leveren, die ex-politici hun ego streelt.
Een ander model van de openbare ruimte heeft daarom mijn voorkeur. Via een hereniging met Inkijk/Uitruil zal ik dit model illustreren. Wanneer wij teruggaan naar de drie sociaal-politieke modellen van de openbare ruimte dan opteer ik evenals processuele openbaarheid voor een synthese tussen het neoliberale en republikeinse model. Alleen, met het verschil dat ik de twee andere kenmerken van beide modellen overneem. Dus niet het neoliberale doel van de openbare ruimte (pragmatisch) en haar republikeinse karakerisering (politiek), maar de neoliberale karakterisering van de openbare ruimte zelf en de republikeinse defintie van het doel van de openbare ruimte. Hieronder staat het schema van de vier modellen van openbaarheid.
Ruimte
Doel
MAATSCHAPPELIJK
POLITIEK
PRAGMATISCH
Liberaal
Processueel
INTRINSIEK
Complex
Republikeins
Figuur 1: Sociaal-politieke modellen van de openbare ruimte
Ik noem dit vierde model complexe openbaarheid. Ten eerste definieert het de openbare ruimte als maatschappelijk. Centraal staat de kracht van het particuliere initiatief en de daarbij behorende kleine deugden. De openbare ruimte is niet in eerste instantie politiek, omdat ze een afspiegeling is van democratische waarden, maar ze is maatschappelijk. De maatschappelijke openbare ruimte bestaat uit een samenstel van (complexen) locale openbare ruimten die gedefinieerd zijn door een pluraliteit van waarden. Deze zijn niet per se democratisch. Ten tweede slaat ‘complexiteit’ op het doel van de openbare ruimte, die is namelijk intrinsiek en niet pragmatisch. Alleen met een concentratie op de vertaling, indexering, categorisering, en conceptualisering van de specifieke expertises van kunst in maatschappelijke openbare ruimtes is de status quo – hierboven geanalyseerd door Van Winkel en Kaspori – te beïnvloeden, niet met pragmatische inventiviteit. Met het begin van een canon van de verschillende expertises van kunst in de openbare ruimte zal het conceptuele vacüum van de politiek toenemen en dat van de kunst afnemen is de voorspelling.
ix. Inkijk/Uitruil revisited
Het zal de lezer niet verbazen wanneer het project Inkijk/Uitruil geschaard wordt onder complexe openbaarheid. Ten eerste is het een typische maatschappelijk openbare ruimte. Om die reden, tenminste zo interpreteer ik dat, is er ook geen forumfunctie in Inkijk/Uitruil geplaatst. Doorgaans is deze functie wel aanwezig op wijkwebsites, maar klaarblijkelijk werd het forum niet de geschikte locatie geacht voor gemeenschapsvorming. De makers van Inkijk/Uitruil hebben duidelijk iets anders voor ogen gehad, hetgeen zij ook in de projectaanvraag benadrukken: “Anders dan bij gebruikelijke messageboards en newsgroups worden de beelden en verhalen hier ondergebracht in een narratieve structuur waardoor er samenhang en betoog gecreëerd wordt”. Terwijl een website die gecentreerd is rond een forum een typisch voorbeeld zou zijn van een processuele openbare ruimte – het doel van de openbare ruimte is de weerslag van het proces als politieke openbaarheid (het uitdragen van democratische waarden) –, daar is de website van Inkijk/Uitruil meer een voorbeeld van complexe openbaarheid. Het doel is intrinsiek: de thematische aanpak (GarageSale, Buurspionnetje, MijnPagina) brengt een inhoudelijke gelaagdheid in de openbare ruimte van de site, terwijl de ideële waarden eerder een afspiegeling zijn van locale werkelijkheden tussen bewoners dan equivalenten van abstracte democratische idealen die hen zouden binden.
De benadering is goed te vergelijken met het succesvolle project Geheugen van West. Dat is een cultuurhistorische website waar verhalen over de Amsterdamse tuinsteden kunnen worden geplaatst. Doordat de tuinstad het specifieke onderwerp is en het verhaal de gangbare vorm (inhoudelijk doelen, geen pragmatische), is er inmiddels een groot journaal van persoonlijke impressies over de tuinsteden ontstaan. In de woorden van E.A. Huppes-Cluysenaer zou dit (het begin van) een interpretatiegemeenschap kunnen zijn. Zij definieert een interpretatiegemeenschap als een gemeenschap die gebaseerd is op, en een identiteit ontwikkelt door, concrete voorbeelden die gerelateerd worden aan algemene betekenisregels, “op een manier die het onmogelijk maakt die discussie direct in verband te brengen met praktische beslissingen”. Taal wordt vooral theoretisch gebruikt, het praktische, of politieke, belang ervan staat op het tweede plan, want het voornaamste doel is betekenissen uit te wisselen en te interpreteren binnen gemaakte generalisaties van vorige betekenissen zodat de website én de tuinsteden een “historische continuïteit” wordt gegeven. Cruciaal is dat er hoeft geen politieke rekenschap afgelegd te worden, dat er voldaan wordt aan democratische waarden.
Op deze manier ontstaat er een pluraliteit aan interpretatiegemeenschappen in de openbare ruimte. Vandaar de term ‘maatschappelijke openbaarheid’. Jürgen Habermas heeft in zijn klassieke studie naar de publieke sfeer en openbaarheid benadrukt hoe in de Verlichting de bakermat voor openbaarheid bij het gezin werd gelegd. Niet alleen de meer afstandelijke salon, maar ook de keukentafel werd een plaats van openbaarheid: “The subjectivity originating in the intimate sphere of the conjugal family created, so to speak, its own public. […] It provided the training ground for a critical public reflection still preoccupied with itself – a process of self-clarification of private people focusing on the genuine experience of their novel privateness.” De maatschappelijke – of private – openbare ruimte kan in dergelijke interpretatiegemeenschappen moeilijk politiek genoemd worden. Het doet de locale openbare ruimte aan de keukentafel geen recht door de openbare waarden te relateren aan een democratische proces. De ervaring van novel privateness waar Habermas over spreekt heeft niet primair een praktisch belang maar een theoretische, die van de subjectieve zelfverheldering en haar openbare uitwisseling. Inkijk/Uitruil zou zo een maatschappelijke interpretatiegemeenschap kunnen worden. Net als bij Geheugen van West ligt bij het project de nadruk op de uitwisseling van concrete ervaringen op basis van thema’s, niet op onbegrensde discussies en conversaties op een leeg en democratisch geproceduraliseerd prikbord.
xi. Uitleiding
Het openbare vacuüm waarin kunst verkeert is natuurlijk geen uitzonderingspositie. Vele maatschappelijke gebieden, of zij nou een praktisch (zoals vakbonden) of theoretisch primaat hebben (zoals universiteiten), beleven een serieus inhoudelijk vacuüm. En de overheid dreigt te profiteren van deze maatschappelijke verzwakking en onzekerheid. Maar zoals gezegd: een verdere dynamisering en democratisering van openbare ruimten als remedie voor het inhoudelijke vacuüm is niet de optie die we moeten kiezen. Daarmee worden bestaande machtsdominanties eerder geholpen dan belemmerd. De nieuwe openbaarheid die gezocht moet worden is intrinsiek en locaal. Niet hoe er in de openbare ruimte gehandeld, maar wat er in de openbare ruimte behandeld moet worden is de centrale kwestie. En een beter reflectief begrip van de specifieke praktijken binnen maatschappelijke openbare ruimten, opdat het zelfbewustzijn van burgers zal groeien, is het beste recept tegen de voortgaande politisering van de samenleving.
|
| |
|
|