Firewalls, Safe Havens en Contained-poesis
felix janssens, 17 February 2005

 

In het laatste nummer van METROPOLIS M staat een aantal artikelen over design. Lovenswaardig, want er wordt niet heel veel geschreven over design. Maar ook verwarrend, omdat ze bij elkaar een nogal een eenzijdig beeld van ontwerpen geven, met een nadruk op formalistisch ontwerp. In het ene artikel wordt dit bekritiseerd, in het andere juist weer gewaardeerd. Deze schijnbare tegenstellingen vullen elkaar eerder aan dan dat ze elkaar als friendly enemies bevechten. (1)
Ontwerpproductie, -kritiek, -reflectie en -beleid opereren in dezelfde richting. Zij treden op in het gezamenlijke project, zoals beschreven in False Flat en bekritiseerd door Domeniek Ruyters. Maar vervolgens doet METROPOLIS M precies dat: alles scharen onder een noemer. Wat moeten wij hieruit opmaken? Dat METROPOLIS M - zonder dat het er erg in heeft - fungeert als doorgeefluik voor een agenda die het zelf tracht te ontrafelen?

Om een goed overzicht te krijgen van hoe dit beoordeeld kan worden is het goed drie ogenschijnlijk verschillende posities te onderscheiden: het idee ontwerpen waarbij onorthodoxe oplossingen als beheersbaar risico kunnen worden ingezet (NL Architects, False Flat, Interpolis flexibel kantoor, Thonik®); de rationalisering van de luxe met een overdreven aandacht voor kwalitatieve meerwaarde (Jongstra, Bey, Boom, Schouwenberg) en de economische legitimering van een culturele activiteit (Senseo, beleid Premsela, I amsterdam). Daartegenover staat een mentaliteit waarbij het ontwerp wordt ingezet om de werkelijkheid te kunnen begrijpen, te veranderen of versteld te doen staan. En juist die gedachte mist in het debat over ontwerpen, zoals in METROPOLIS M gevoerd.

Het Nederlands ontwerpen is doordrenkt van calvinisme waardoor alles in termen van nut en functie a priori wordt beschreven. Betekenissen (politieke-, poëtische- of historische-), kwaliteiten die a postiori toegekend kunnen worden en niet altijd even eenduidig zijn, vallen daarbuiten. De hedonistische experience economy verlangt een vleugje ervaring, maar binnen de lijnen van het beheersbare (Robinson Island, Now&Wow, Museumn8, et cetera) zogenaamde prescribed poesis; het ontwerp mag alleen beloven, zonder volledig in te lossen. Voilà: de verbintenis tussen calvinisme en kapitalisme.

Het is interessant te vernoemen dat de katholieke De Steurs al in 1873 in zijn pamflet "Holland op z'n smalst" (De Gids) ageerde tegen deze koopmansmentaliteit. Hij maakt zich zorgen over ‘de neiging van de Nederlanders om trots te zijn op hun verleden, maar niet op de kunstwerken die door hun voorgangers zijn gemaakt’ en het ‘is verschrikkelijk dat (...) kunstwerken aan het buitenland worden verkocht.’

Design is verworden tot een exportproduct in de beste traditie van Frau Antje. Dat doet de potentie van het ontwerpen en de ontwerpers te kort. (We weten wat er van de Nederlandse tomatentelers is geworden...) Wie suggereert dat ontwerpen bijdraagt aan een cultuur en een drager van betekenissen is, wordt zelfoverschatting verweten. Andersom zou je eigenlijk kunnen stellen: wie twijfelt aan die grote rol, is klaar voor het fourniturenhuis.

Het succes van een formalistische aanpak vloeit voort uit haar verhandelbaarheid en uitwisselbaarheid. Door historisch op die functie gericht te zijn geweest, zijn we vergeten over de betekenis van de dingen en wie wij zijn, na te denken. Iedereen is niemand geworden. Dit vacuüm heeft Nederland in brand gezet. In de haast aangelegde Firewalls zorgen intussen voor safe-areas waarbinnen exclusief contained-poesis geconsumeerd kan worden. Wat is het verschil tussen de Miljonairs Fair en de designstands op de Salone di Mobile? De avant-gardistische ontwerpen hebben zich afgezonderd van de realiteit. En wat doen we? We schrijven artikelen over ‘handgehaakte letters’ en continueren het risicomijdend opdrachtgeverschap.

Het is Femke Halsema die (in het kamercommissie overleg op 22.11 over de cultuurnota) haarscherp formuleert wat je van ontwerpers ten minste zou kunnen verwachten: ‘Ik was getroffen door een uitspraak van de staatssecretaris over Senseo. 'Het versterken van ontwerpers als die van Senseo is mijn grote droom.' Mijn vraag is: gaan wij die dan subsidiëren? Met alle waardering die je kunt hebben voor de Senseo, dat is niet waarover het gaat. Daar moet het ook niet over gaan. Het is heel goed als het bedrijfsleven gebruikmaakt van de talenten en mogelijkheden van ontwerpers, maar dat is niet waar deze staatssecretaris voor op de barricades moet.’
En het is Femke Halsema die ook de verantwoordelijke politica, beleidsadviseurs en -uitvoerders fijntjes wijst op het feit dat economisering van ontwerpen niet uit cultuurbudgetten gehaald behoord te worden: 'De betekenis van de kunsten is heel wat groter dan de bijdrage die zij mogelijk zouden kunnen leveren aan de economie. (...) Het steekt mijn fractie dat van de 10 mln, vanaf 2006 een kwart, dus 2,5 mln, naar het zogenaamde “economie en cultuur” gaat. Daar wil ik dan graag een vraag tegenover stellen: hoeveel heeft minister Brinkhorst van EZ gereserveerd voor de kunsten? Bij mijn weten is dat niet zoveel. En dan hebben wij het wel over een begroting van 1,5 mld, waarvan 500 mln jaarlijks wordt gereserveerd voor bevordering van de innovatiekracht.'

Exemplarisch is de rol die menig design- en kunstproject krijgt toebedeeld als procesbegeleider van ‘identiteitstransformatieprocessen’: ontwerpen als interim-management voor imagoprocessen. GEVRAAGD: AANTREKKELIJK ONTWERP – FEEL GOOD - SCHUURT NIET - MAKKELIJK TE VERVANGEN. Boeken en reizende designtentoonstellingen spelen een merkwaardige dubbelrol in dit spel. Aan de ene kant promoten ze de creatieve onaangepastheid van ontwerpers, aan de andere kant wordt dat aangeboden als een reeks van manageble return-on-investment opties voor potentiële opdrachtgevers. Ontwerpers noch hun visies kom je er nog maar zelden in tegen.

Het is hiermee niet gezegd dat de ontwerpen waar aan gerefereerd wordt niet bijzonder of waardevol zouden zijn. Waar ik voor pleit is om voorbij de doelgerichte, conceptmatige en rationele benadering van de verschijning te denken. Globalisering veronderstelt niet alleen het exporteren van een brand, maar ook het toelaten van het andere. Nokia is het resultaat van een zieltogende monocultuur. Wat is er mis met een mogelijk rijk geschakeerd ontwerpklimaat? Waarom zouden we dat moeten opstoken?

Als ontwerpers en verwanten in Nederland alleen maar bezig zijn met het exporteren van objecten en stijlen vergeten we wie we zijn en wat we met elkaar delen. VRAAG: welke (publieks)instelling durft zich nog trots te representeren? Onze werkelijkheid is dramatisch aan het veranderen. Wat daar de effecten van zijn is dagelijks in de krant te lezen, en alternatieven daarvoor verdienen meer ruimte.

1. Met dank aan Charles Esche die Friendly Enemies introduceerde als meest democratische rollenpatroon waarin het ‘oneens zijn’ inzet is van dialoog.

uit: METROPOLIS M / Feb.2005



 

Comment posted by: Dominiek Ruyters at February 21, 2005 04:12 PM

Het is goed dat een stuk ietwat tendentieus gesteld is, maar ik ben het niet helemaal met je eens.
Ik zie vooral de link vakwerk-formalisme niet. Althans in principiële zin.
Volgens mij is er geen ideologisch verschil tussen de partijen die jij hier tegenover elkaar stelt, alleen een tactisch, misschien strategisch verschil.

Natuurlijk, er zitten elementen van 'marktconformisme' in de kunst en vormgeving die wij in VAKWERK hebben beschreven, en ze zijn in die zin weinig kritisch, wellicht zelfs ongepast als je het huidige maatschappelijke klimaat ziet. Maar ik vind de ‘trend’ niet gespeend van idealisme, wat ik ook heb geschreven. Meer dan vertragingstactiek is het een individuele keuze voor en soms zelfs kritiek op productieverhoudingen. Vandaar ook het voorbeeld van Landy in dit nummer. Dat betekent dat ook ambacht een systeemkritiek in zich herbergt die soms zelfs alternatieven voor dominante ontwikkelingen voorstelt.

Natuurlijk is heel veel ambacht (ook in dit nummer) zo politiek incorrect als de pest. We hebben het met enige graagte gebracht, omdat ik geloof dat het tevens een functie van kunst is autonome posities te bevechten in het maatschappelijk debat, juist nu, en dus arrogant, dwars, onafhankelijk, kinderachtig, recalcitrant et cetera te zijn (vergelijk het met Dada tijdens de eerste wereldoorlog). Het onafhankelijke denken ten aanzien van dominante discoursen moet kunst ook op zichzelf toepassen. En ik vind dat het contextuele debat behoefte heeft aan nieuwe impulsen.

Wellicht is de VAKWERK-autonomie uiteindelijk een schijnautonomie, en wellicht is de opleving van het ambachtelijke geen autonome geste, althans niet louter autonoom. Er zullen ‘artisans’ bijzitten, zeker en vast, maar er zitten ook contextuele denkers bij. Het is in die zin niet één praktijk of attitude, het zijn er een hele reeks bij elkaar. En ik geloof niet dat de groep als zodanig , vanwege het ambachtelijke aspect, in een klap af te serveren is.

Juist daar ligt (eventueel) ook de link met FalseFlat, een boek dat ik bekritiseer omdat het Dutch Design onder een noemer probeert te vangen, en ook nog eens een vrij platgetreden noemer. Een noemer die bovendien niets anders dan een marketingtruc is. In Vakwerk worden naar mijn idee wel degelijk meerdere posities ten aanzien van het ambacht aangedragen, reikend van formeel tot inhoudelijk, van autonoom tot contextueel. Het probeert dat althans te doen. Het nummer als zodanig laat zien dat het begrijpen wat er allemaal precies speelt rondom de keuze voor het ambacht in de hedendaagse cultuur geen eenvoudige opgave is. De meest ambachtelijke van het stel is in zeker zin Glenn Brown, maar hij is ook het meest maatschappijkritisch, op het cynische af, zij het op symbolische wijze. Geen modernist, dus geen betere wereld, dat klopt. En dus heeft zijn keuze voor het ambachtelijke ook een duidelijke decadente connotatie.



 
WE AGREE TO DISAGREE
PLEASE NO PACIFYING CONSENSUS
feel free to add your comments











Remember personal info?